Standaard

De Nederlandse Hangoor Dwerg                  


Land van oorsprong: Nederland.
In Nederland erkend: Januari 1964.      

Het Gewicht                                                                     

Het gewicht bedraagt 1,25 tot 1,75 kg ( het beste is 1,4-1,6 kg).

Type en bouw

De Nederlandse Hangoordwerg moet een franse hangoor in miniatuur zijn. Het lichaam is kort gedrongen, halsloos, breed in schouders en borst. De nek is kort en krachtig ontwikkeld. De ruglijn loopt vanuit een lichte welving naar de fraai afgeronde achterhand. De afronding van de brede achterhand verloopt in een korte ronding. Deze ronding mag beslist geen scherpe hoek vormen. De benen zijn stevig, kort, en dik.

Oren (Behang)

De oorlengte bedraagt 22 tot 27 cm (het beste is 24 cm). Ze worden gemeten van oorpunt tot oorpunt met inbegrip van de schedelbreedte. De oren hangen loodrecht naar beneden met de schaalopening naar de kop gekeerd. Aan het uiteinde zijn ze lepelvormig afgerond. Hoe dikker en steviger de oren zijn hoe beter. Vouwen en plooien in de oren zijn foutief. Door ombuiging van de oren aan de wortels ontstaan twee zichtbare verhogingen, kronen genaamd. Deze moeten flink ontwikkeld zijn.

Pels en pelsconditie

De pels is dicht, zacht en glanzend met veel onderwol. De ideale pelsconditie bij het tentoonstellingsdier is een geheel doorgehaarde pels, zonder dun behaard of kaal plekje. De verharing herkent men duidelijk aan het grannenhaar, het oude, afstervende en het nagroeiende, krachtig gekleurde haar is zichtbaar en te onderscheiden. Niet enkele in het rond vliegende haren, maar flink loslatend haar is als verharing te beschouwen. De pels moet vol ingehaard, glanzend en aanliggend zijn.

De Kopvorm

De kop moet sterk ontwikkeld zijn, breed tussen de ogen met sterk ontwikkelde wangen en snuit. Het neusbeen is sterk gebogen

Lichaamsconditie en verzorging.

Het spreekt wel vanzelf, dat op een tentoonstelling of keuring het konijn in de beste conditie moet worden voorgebracht. Het lichaam goed bevleesd, gespierd, met andere woorden zo hard als een bikkel. Slappe, magere of te vette dieren zijn uit den boze. De nagels worden regelmatig evenwijdig met het loopvlak, zonder het "leven" te raken, geknipt, ook de duimnagels. De gehele pels alsook de voetzolen en binnenzijde van de oren en de geslachtsdelen moeten schoon zijn. De dieren worden vrij van klitten voorgebracht. Het oog moet helder zijn, tintelend van levenslust.

Fouten

Lichte fouten.  
Geringe afwijkingen van het voorgeschreven type en/of bouw. Oren die niet geheel loodrecht hangen of waarvan de schaalopening niet geheel naar de kop is gekeerd. Geringe vouwen in de oren. Onvoldoende hol zijn van de oorschelpen. Niet voldoende hoefijzervormige oordracht. Wat dun oorweefsel. Kartelingen in de oorranden aan de top. Iets beschadigde oren. Oren met een scherpe rug. Wat weinig ontwikkelde kronen. Iets broek. Iets gevlamde voorbenen en lichtgekleurde achterbenen bij kleurdieren. Geringe afwijkingen in kleur. Weinig symmetrie in tekening bij bonte dieren en geringe afwerkingen in het gewenste tekeningbeeld, iets wit op de snuit. Geringe afwijking van het type. Iets vrouwelijke kop bij mannelijke dieren. Oren, welke niet geheel in harmonie zijn met het lichaam, uitgezonderd bij Engelse Hangoren. Iets breed gedragen oren, Iets wijde inplanting van de oren, iets omgebogen, gevouwen of gekartelde oren. Iets minder viezige oren. Ruim borstvel bij alle dieren. Lichtelijk doorgedrukte voorvoeten of benen. Zeer geringe X- of 0-benen. Zeer geringe beenverkrommining. Iets losse of iets boven de lichaamscontouren uitstaande schouderbladen. Geringe afwijking van de rug-lijn. Minder goede afronding van de achterhand. Iets uitstaande beenderen in de achterhand. Iets buitenwaarts gerichte knieën. Aan de zijden jets afgeplatte achterhand. Iets ruime lichaamshuid. Iets onvast gedragen staart, z.g. speelstaart (echter niet te verwarren met scheve, kromme of sleepstaart). Gebroken recht gegroeide staart. Lichte hangballen. Gebitsafwijkingen waarbij het gebit echter beitelvormig blijft. Iets diepliggende ogen, z.g. spekogen, hieronder te verstaan, ogen waarbij het derde ooglid vergroot is en voortdurend of geruime tijd voor een gering gedeelte van de oogbol is geschoven, terwijl het konijn niet bij machte is bedoeld ooglid terug te trekken. Geringe afwijking van de oogvorm of oogkleur. Iets bindvlies voor een of beide ogen. Geringe kleur- of pigmentfouten. Kleurarme nagels bij rassen welke gekleurde nagels moeten hebben. Enkele witte of anders foutief gekleurde haren, of wit of anders gekleurd navelpluisje bij kleurrassen.

Beharingsfouten: 
Iets harde, iets wollige of iets losse pels. Wat weinig onderwol, iets ongelijke pels of door onvoldoende inharing ontstane "platen". Wat open pels. Weinig glanzende pels. Kleine kale plekjes of lichte beschadigingen door verwondingen of muggenbeten. Hieronder tevens te verstaan: Kleine korstjes of enkele foutief gekleurde haren op deze beschadigde plekjes.

Conditiefouten: Iets bevuilde voetzolen, onderzijde van de staart of andere delen van de pels. Iets vuile oren. Iets lange nagels. Wat huidschilfering op schouders en nek. Iets dun behaarde hakken.

Zware fouten. 
Sterke afwijkingen van het voorgeschreven type en/of bouw. Misvormde oren. Zwaar beschadigde oren. Het horizontaal of bijna horizontaal dragen van een of beide oren. Oren met de holle zijde naar voren gericht. Ontbreken van de kronen. Te veel broek. Grove kleurfouten. Grove afwijkingen van het gewenste tekeningbeeld bij bont, b.v. geheel of vrijwel geheel witte kop of snuit. Vlek of witte velden op de oren bij bonten, die verder dan 4 cm van de oorwortel verwijderd zijn. Gekleurde nagels bij bont. Oren beneden de minimum of boven de maximum orenmaat. Beneden of boven het aangegeven minimum, resp. maximum gewicht. Sterke afwijkingen van het voorgeschreven type. X-benen, 0-benen of andere ernstige beenverkrommingen, sterk doorgedrukte voorbenen, te losse schouderpartij, in ernstige mate boven de lichaamscontouren uitstaande schouderbladen, sterke mate van zadelrug, karperrug, steile achterhand, sterke gleufvorming in achterhand, sterk buitenwaarts gerichte knieën, te nauwe stand van de achterbenen (koehakken), te smalle achterhand. Hangbuik, hangballen welke over de grond slepen, niet volledige of afwijkende geslachtsdelen, b.v. gespleten penis. Uitgesproken vrouwelijke kop bij mannelijke dieren. Te korte onderkaak, het hangen van een of beide oren, behalve bij Hangoren. Sterk omgebogen oortoppen. Te wijde oorstand bij die rassen, welke een V-vormige of gesloten oorstand moeten hebben. In ernstige mate gevouwen oren. Het missen van een oortop. Scheve, kromme of sleepstaart. De staart is krom, als dit voelbaar is. Het ontbreken van een stukje staart. Te diep liggende ogen. Sterk afwijkende oogvorm, o.a. de z.g. glasogen, ernstige mate van spekogen, zodat het derde ooglid voor een groot gedeelte van de oogbol is geschoven en het dier niet bij machte is bedoeld ooglid terug te trekken. Oogvlekken, tweeërlei oogkleur. Andere oogkleur dan voor het betreffende ras of kleurslag is voorgeschreven. Te veel bindvlies voor een of beide ogen. Het aanwezig zijn van een of meer kleurloze nagels bij die rassen, welke gekleurde nagels moeten hebben. Het aanwezig zijn van een wam of wamaanzet bij mannelijke dieren (niet te verwarren met de kleine "kinknoop"). Grote, scheve, gedraaide, dubbele, rol- of beenwam. Zeer ruim borstvel of zware broekvorming. Het missen van een of meer nagels of tenen. Ernstige misvormingen. Totaal ontbreken van snorharen.Sterke afwijkingen in het gebit, zoals een of meer te lang doorgegroeide tanden (z.g. olifantstanden).Klemgebit. Hieronder wordt verstaan, tanden die niet bijtelvormig zijn en recht op elkaar staan.

Kleur- of pigmentfouten
witte of foutief gekleurde vlekken bij kleur- en tekeningrassen. Veel witte of andere foutief gekleurde haren bij kleurrassen, o.a. in voetzolen.

Beharingsfouten
Zeer weinig onderwol. Zeer sterke verharing, welke een beoordeling van onderwol, dekhaar of kleur onmogelijk maakt. Glansloze, open en stroeve pels. Kale plekken, die niet door de omliggende haren bedekt kunnen worden bij normaalharige rassen. Een te lange of te korte beharing dan bij het betrokken ras is voorgeschreven. Door ernstige muggenbeten ontstane totaal kale plekken, korsten of knobbels. Ernstige verwondingen aan de voetzolen. Geheel of gedeeltelijk onbehaarde oren. Te dun behaarde oren.

Conditiefouten
Zeer sterke vervuiling. Harde mestballetjes aan nagels. Te vet of te mager, waarbij aan de conditie teveel afbreuk wordt gedaan. Zeer lange kromgegroeide nagels. Zeer slechte pisconditie.

Drachtige voedsters
Dragende voedsters mogen niet op een tentoonstelling worden ingezonden. Als duidelijk blijkt dat een voedster drachtig is, komt zij niet voor bekroning in aanmerking.

Fraude
Het verven, bijkleuren of wegknippen van kleurloze nagels, het bijkleuren van de pels, het wegknippen van haar, het wegknippen of plukken van witte pluizig of vlekjes; kortom, alle daden, ten doel hebbende de kleur of tekening te veranderen, hebben uitsluiting ten gevolge. Bij het ontdekken van fraude geeft de betrokken keurmeester het secretariaat van de tentoonstellinggevende vereniging hiervan onmiddellijk kennis.

Opmerkingen bij MADAGASCAR & ISABELLA

- De dekkleur is bij oudere dieren meer beladen dan bij jonge dieren. Madagascar wordt donkerder en Isabelle wordt blauwer.
- De dekkleur moet voorzien zijn van een waas. Deze waas wordt gevormd door een donkerbruine tot bijna roetachtige egale ticking op de uiterste toppen van de dekharen (ook schaduw genoemd). Wanneer men de pels samendrukt tussen duimen en wijsvingers moet die duidelijk te zien zijn. Ziet men geen waas dan wordt de dekkleur te gelig bij de Madagascar. Bij de Isabelle is dit zeldzamer, maar als het gebeurt, is ook de tussenkleur niet goed(wit). Wordt de ticking te diep dan verandert de dekkleur bij Madagascar in donkerbruingeel met veel zwart en bij Isabelle in vuilgeelbruin met veel blauw. De waas mag niet onregelmatig zijn zodat men vlekken of strepen krijgt (komt veel voor bij beide kleuren). Deze waas is een restant van zwart of blauw als verdunning op de uiterste band van de Geelfactor E.
- De dekkleur is krachtig geelbruin. Wanneer er ietsje rood bij komt krijgt men bij de madagascar de gemskleur. De laatste jaren wordt geen rood meer verlangd en bestraft men het. Toch is een ietsje warmere geelbruine kleur verkieselijker bij de kleurdwerg. Zowel Madagascar als Isabelle ogen er mooier mee (opmerking van Nederlandse Keurmeester Coen Gelein). Veel rood daarentegen moet altijd leiden tot declassering.
- Moorkoppen en blauwkoppen zijn te bestraffen. Vooral bij Isabelle komt men regelmatig dieren tegen waarvan de kop volledig blauw is! Men ziet de aftekening op de kop niet meer.
- De sluier moet zo krachtig mogelijk zijn. Het is echter een nemen en geven omdat die in correlatie staat met de schaduw op het dek. Hoe krachtiger het zwart en het blauw van de sluier is hoe waardevoller de kleur.
- De sluier moet doorlopend zijn en niet onderbroken. Toch ziet men veel dieren waar de sluier onderbroken is op de schenkels of op de borst.
- De sluier mag ook niet te hoog oplopen. De horizontale denkbeeldige lijn onder de kin is de referentie.
- Op de snuit en de buik is de sluier het krachtigst aanwezig. Verlangt een masker dat niet boven de horizontale denkbeeldige verbindingslijn tussen de ogen gaat.
- Men komt regelmatig een gemêleerde kleur tegen op de voorbenen en oren. Met gemêleerd bedoelt men dat de kleur op die plaats gemengd wordt met een lichtere kleur. Witte haren rond de neus, oksel en schootpluizen komen ook soms voor.

- De tussenkleur moet in theorie de dekkleur zo diep mogelijk volgen. Bij Madagaskar heb ik nog maar éénmaal gezien dat de tussenkleur ging tot op de wortel. De kleur wordt in dit geval veel te rood.
- De tussenkleur bij Isabelle is meestal niet diep en niet krachtig. Dat kan een oorzaak hebben in de heksenjacht op te veel blauw. Veelal is halverwege de haren de tussenkleur reeds verdwenen en zien wij wit(bestraffen).
- Grauwe of blauwe grondkleur op dek is steeds een zware bestraffing. Men verlangt wit.
- De buikkleur moet werkelijk krachtig zwart of blauw zijn. De voetzolen zijn licht van kleur. Op de onderkant van de staart of op het puntje daarvan treft men dikwijls een lichtere kleur tot zelfs volledig wit. Bij Madagascar wordt dit streng bestraft bij Isabelle licht bestraft.(Volgens C.Gelein hoort dit euvel bij een standaardmatige Isabellekleur. Een bijna witte buik bij Isabelle duidt op de aanwezigheid van de wildkleurfactor.
- De grondkleur op buik en in de sluier is crème.
- Oogkleur kan bij een Madagascar te licht worden en bij een Isabelle wat bruinachtig (weinig problemen).
- De nagelkleur moet sterk genoeg zijn. Goed opletten voor witte nagels.

Madagascar

De dekkleur is geelbruin. De dekharen zijn zwartachtig gepunt, met dien verstande dat er een lichte waas ontstaat die het gehele dek omvat, zonder dat deze te donker wordt. De buikkleur en sluier zijn meer donker zwartachtig gekleurd welke zich uitstrekt over de snuit, oren, borst, benen, onderste gedeelte van de schouders, flanken, achterhand, bovenzijde van de staart en de buik. De grondkleur aan de buik is crème tot wit.De oogkleur is donkerbruin. De tussenkleur is geel en wordt naar de haarwortel lichter. De grondkleur is crème tot wit.

Isabella. 

De dekkleur is iets lichter geel dan bij madagascar. De dekharen zijn blauw gepunt met dien verstande dat er een lichtblauwe waas ontstaat die het gehele dek omvat zonder dat deze te donker wordt. De buikkleur en sluier zijn blauw gekleurd welke zich uitstrekt over de snuit, oren, borst, benen, onderste gedeelte van de schouders, flanken, achterhand, bovenzijde van de staart en de buik. De blauwe kleur mag niet te donker zijn.De grondkleur aan de buik is crème tot wit. De snorharen zijn blauwachtig gekleurd. De nagelkleur is hoornkleurig. De oogkleur is blauwDe tussenkleur is geel en wordt naar de haarwortel lichter. De grondkleur is creme tot wit


copyright © 2005 Rabbithome Konijnenfokkerij
Laatst bijgewerkt: 23.05.2009